In het kader van het “Frans jaar aan de VUB” en in samenwerking met uitgeverij Polis, Kunstencentrum Vooruit, Passa Porta en BOZAR verwelkomde de Vrije Universiteit Brussel Alain Badiou op vrijdag 10 mei in BOZAR. Een volledig gevulde zaal hing aan zijn lippen terwijl hij een lezing bracht over Het ware leven, het boek waarin hij zich expliciet tot de jongeren richt en hen oproept om de wereld te veranderen. De Nederlandse vertaling verscheen dit voorjaar bij Polis. Na afloop van de lezing ging prof. Laurent De Sutter (VUB) verder in gesprek met de maître à penser en ook het publiek kreeg nog de kans om met hem in dialoog te gaan en om een exemplaar van Het ware leven te laten signeren. Een bijzondere avond met een uitzonderlijk denker.

We lieten de lezing vertalen in het Nederlands. Je kan hem hier nalezen als opwarmer voor het echte werk, Het ware leven.

Lezing

Jong zijn, vandaag

Ik zou graag willen beginnen met U een vraag te stellen die ik ook aan mezelf stel. Met welke weegschaal kunnen we wegen wat de jeugd van vandaag waard is? We weten immers dat de meest tegengestelde oordelen hierover bestaan, wat kunnen we heden ten dage zeggen?

De huidige jeugd schijnt gekenschetst te worden door positieve trekken die haar verschillend zouden moeten maken van de soorten jeugd die eraan zijn voorafgegaan. Een vrijere jeugd.

Om te beginnen, onderwerpt men de jongeren niet meer aan strenge, somtijds brutale inwijdingsrituelen om de overgang van de jeugd naar de volwassenheid te markeren. Dergelijke initiatie heeft duizenden jaren bestaan.  Er zijn altijd initiatie-rites geweest, sociaal georganiseerde, bijzondere overgangen van de jeugd naar de volwassenheid, geduchte fysieke en morele beproevingen, met bepaalde handelingen die eerst verboden waren en na de ritus toegelaten. Dat alles maakte dat « jong » zo goed als « nog niet ingewijd » betekende.  De definitie van de jeugd was restrictief, negatief. « Jong zijn » betekende vooral « nog niet volwassen zijn ». 

Ik denk dat deze houding ten opzichte van de jeugd, dat deze symbolische gebruiken, tot voor kort hebben bestaan. In mijn jeugd, zestig jaar geleden, bestond er een inwijding voor de mannen in de vorm van de legerdienst. Je was een man als je die had beëindigd. Voor de vrouwen was het huwelijk de vrouwelijke variante. Een jonge man was volwassen wanneer hij zijn legerdienst had gedaan en een jong meisje wanneer ze getrouwd was. Vandaag behoren deze twee laatste overblijfselen van de inwijding tot de herinneringen van de grootouders. Men kan dus zeggen dat de jeugd onttrokken is aan de vraag van de inwijding.  

Het tweede kenmerk dat ik wil onderstrepen is dat er minder, ja veel minder waardering bestaat voor de ouderdom. In de traditionele maatschappij worden de ouderen als zodanig gewaardeerd, natuurlijk ten koste van de jongeren. De wijsheid staat aan de kant van de lange ervaring, van de hoge leeftijd, van de ouderdom. Vandaag is deze waardering verdwenen ten voordele van haar tegendeel: het belang dat men hecht aan de jeugd. Dit is wat men [in het Frans] « jeunisme» noemt, het op een voetstuk plaatsen van alles wat jong is. Dit fenomeen is als de omkering van de traditionele cultus van de wijze ouderling. Maar het « jeunisme », als ideologie, als thema van de publiciteit in de wereld van de consumptie, doordringt de maatschappij, die de jeugd als model neemt. Vandaag zijn het de ouderen die kost wat kost jong willen blijven eerder dan het de jongeren zijn die verlangen volwassen te worden. Vandaar dat « fit blijven » een imperatief is voor wie ouder wordt. Joggen, erop los tennissen, fitness, esthetische chirurgie, alles is goed. Men moet jong zijn en jong blijven. Ouderlingen in sportkledij lopen in het bos en meten hun bloeddruk. Ineens is ouder worden een zwaar probleem, ook al heeft de ouderling zijn best gedaan in het bos; hij moet ouder worden en sterven, zoals, uiteindelijk iedereen. Maar dat is een andere vraag.

Met zou kunnen stellen: het is zo slecht nog niet, om jong te zijn vandaag, het is eerder een geluk, vroeger was het minder goed, het was een druk. Men zou kunnen zeggen dat de trekken van de hedendaagse jeugd grotendeels deze van een nieuwe vrijheid vertonen, dat men geluk heeft om jong te zijn en dat het tegenvalt om oud te zijn. De wind is gekeerd.

Welnu, zo eenvoudig is het niet.

Het feit dat er geen inwijding meer bestaat is een dubbeltje op zijn kant. Enerzijds zijn de jongeren daardoor overgeleverd aan een soort van onbeperkte adolescentie. Wat dan weer anderzijds een soort van infantilisering van de ouderling met zich meebrengt, wat in feite hetzelfde is maar omgekeerd. Enerzijds kan de jeugdige onbeperkt jong blijven omdat er geen specifieke markering meer is, wat enigszins betekent dat de volwassenheid de voortzetting is van de kinderjaren, op een manier die terzelfdertijd continu en gedeeltelijk is. Men zou kunnen zeggen dat dit fenomeen correlatief is aan de macht van de markt. Immers, leven in onze wereld, dat betekent voor een stuk de mogelijkheid om te kopen. Wat te kopen? In feite speelgoed, groot speelgoed, zaken die ons bevallen en waarmee we anderen kunnen imponeren. En de hedendaagse maatschappij spoort ons aan deze zaken te kopen, te verlangen er zoveel mogelijk te kopen. Welnu, de idee om zaken te kopen, te spelen met nieuwe objecten, nieuwe auto’s, merkschoenen, enorme televisies, appartementen gericht op het zuiden, vergulde smartphones, vakanties in Kroatië, nagemaakte Iraanse tapijten; dat alles is typisch voor de verlangens van de kinderjaren, van de adolescentie. Als dit alles ook iets is dat geldt op het niveau van de volwassenen, al is het maar gedeeltelijk, dan bestaat er geen symbolische barrière meer tussen de jeugd en de staat van de volwassene, slechts een soort van vage continuïteit. De volwassene is dan degene die over wat meer middelen beschikt om groot speelgoed te kopen dan de jongere. Het verschil is meer een kwestie van kwantiteit dan van kwaliteit. Het gevolg is dat de adolescentie van de jongeren en de algemene en infantiliserende onderwerping aan de wet van de consumptie, een soort van dwaling van de jeugd is, met individuen die verblind zijn door de schitteringen van de goederen op de wereldwijde markt. Toen de inwijding nog bestond, was de jeugd een vast gegeven, maar is ze stuurloos en dwalend, ze kent noch haar grenzen noch haar barrières, ze is inwisselbaar voor de volwassenheid en deze dwaling is ook wat ik een desoriëntatie zou willen noemen.

Wat te zeggen over het tweede argument dat ten voordele van de jeugd pleit, namelijk het feit dat er geen waardering meer is voor de ouderdom? Wel, dit heeft in aanzienlijke mate de angst voor de jeugd versterkt, een vrees die haar exclusieve waardering begeleidt als een schaduw.  Deze vrees voor de jeugd, met name voor de populaire jeugd, is typerend voor onze maatschappij. En deze vrees kent geen enkel tegengewicht meer. Vroeger was er de vrees voor de jeugd, in de zin dat de ouderdom, de door de ouderen overgeleverde wijsheid, de jeugd in toom moest houden, haar moest beheersen, haar identificatiemodellen en barrières diende op te leggen. Maar vandaag is er iets dat veel verontrustender is, namelijk de vrees voor de dwaling van de jeugd. Men vreest de jeugd precies omdat men niet meer weet wat ze is, wat ze kan zijn, omdat ze deel uitmaakt van de wereld van de volwassenen zelf en tegelijkertijd niet helemaal; ze is anders zonder anders te zijn. Het aantal repressieve wetten, politiepraktijken, kleine enquêtes, procedures expliciet bedoeld om deze vrees voor de jeugd te behandelen zijn een heel belangrijk symptoom. We leven in een maatschappij die tegelijk trots is op de jeugd en haar vreest. Thans wordt een groot deel van de jeugd in onze grote steden beschouwd als een groot probleem. Wanneer, zoals vandaag, de maatschappij niet meer in staat is werk te geven aan deze jongeren, zijn de problemen des te erger. Want een job hebben, dat was ergens de laatste vorm van inwijding, daar scheen de volwassenheid te beginnen. Zelfs dat gebeurt vandaag erg laattijdig en wordt uitgesteld. Wat overblijft is een jeugd van de voorsteden als dwalende en gevaarlijke klasse.

Ik stel u een militante idee voor. We zouden een grote betoging moeten organiseren met een alliantie tussen de jongeren en de ouderen, gericht tegen de volwassenen van vandaag. De meest opstandige jongeren onder de dertig en de meest taaie ouderen van boven de zestig, samen tegen de gevestigde veertigers en vijftigers. Op die betoging zeggen de jongeren dat ze het beu zijn te dwalen, gedesoriënteerd te zijn en blijkbaar voor altijd ontdaan van elke vorm van positieve existentie. Ze keuren het af dat de volwassenen doen alsof ze eeuwig jong zijn. De ouderen van hun kant zeggen dat ze er genoeg van hebben het gelag te betalen voor hun vermindering in waarde en het verlies van het traditionele beeld van de oude wijze. Ze willen niet meer naar de schroothoop gebracht worden, afgevoerd naar medisch bestuurde sterfhuizen en sociaal totaal onzichtbaar. Zo’n gemengde betoging zou zeer nieuw en zeer belangrijk zijn! Tezamen zouden we kunnen afdwingen dat er een weg wordt gebaand naar het nieuwe leven.

In afwachting van deze glorierijke manifestatie, zou ik zeggen dat de jongeren aan het begin staan van een nieuwe wereld, een wereld die niet meer de meer dan duizend jaar oude wereld is van de traditie. Niet iedere generatie staat aan het begin van een nieuwe wereld, dit is een bijzondere situatie, waarin de jongeren zich bevinden.

Feitelijk is de vraag die we ons met z’n allen moeten stellen de volgende: is de moderniteit, vandaag, niet het einde van de traditie? Het is het einde van de oude wereld van de kasten, van de adel van welke aard dan ook, van de erfelijke monarchieën, van de religieuze plichten, van de inwijdingen van de jeugd, van de onderworpenheid van de vrouw, van de rigide, geformaliseerde, officiële, symbolisch zeer sterke scheiding tussen een klein aantal machtigen en de misprezen en werkzame massa van boeren, arbeiders, nomaden. Er bestaat niets dat deze onstuitbare beweging terug kan schroeven. Een beweging die waarschijnlijk begonnen is in de Renaissance, ideologisch geconsolideerd werd tijdens de Verlichting van de 18e eeuw en sindsdien gematerialiseerd wordt in de ongelooflijke bloei van de productietechnieken en de voortdurende perfectionering van de middelen om te rekenen, zich voort te bewegen, te communiceren. Een beweging die vanaf de 19e eeuw onderworpen is aan de politieke strijd tussen het zich moderniserende kapitalisme en de collectivistische en communistische idee met zijn onzekere pogingen, zijn verschrikkelijke mislukkingen en zijn hardnekkige reconstructies. Een strijd waarvan de inzet de consequenties betrof en nog altijd betreft van de moderniteit als het uittreden uit de traditie

Maar wat gebeurt er dan op sociaal en subjectief niveau? Marx heeft er vanaf 1848 een vernietigende beschrijving van gegeven, die in zekere zin heden ten dage nog meer van kracht is dan in zijn eigen tijd. Luister naar deze oude, maar hoogst actuele tekst:

“De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle feodale, aartsvaderlijke, idyllische verhoudingen vernield. Zij heeft de bont geschakeerde feodale banden, die de mens aan de van nature boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen andere band tussen mens en mens overgelaten dan het naakte eigenbelang, dan de gevoelloze ‘contante betaling’. Zij heeft de heilige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift, van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in de ruilwaarde opgelost en in de plaats van de talloze verleende en verworven vrijheden als enige vrijheid de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats van de met godsdienstige en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke, schaamteloze, directe, dorre uitbuiting gesteld.

De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde ambten van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de geneesheer, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie heeft van de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht.

[…] Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen, voordat zij zich kunnen verstenen. Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanzien.”

(vertaling Herman Gorter & Bert Altena)

Wat Marx hier beschrijft is dat het feit de traditie vaarwel te zeggen in feite een gigantische crisis inluidt van de symbolische organisatie van de mensheid. Gedurende millennia werden de interne verschillen eigen aan het menselijke leven gecodeerd, gesymboliseerd, onder de vorm van hiërarchieën. De voornaamste dualiteiten zoals jongeren en ouderen, vrouwen en mannen, arme mensen en machtigen, mijn groep en de andere groepen, vreemdelingen en landgenoten, ketters en trouwe gelovigen, burgers en edellieden, stad en platteland werden in de taal, de mythologieën, de ideologieën en de geldige religieuze morele opvattingen behandeld door het refereren aan ordestructuren die de plaats van de enen en de anderen vastlegden in verstrengelde hiërarchische systemen. Zo was een vrouw van adel ondergeschikt aan haar echtgenoot, maar superieur aan een man van het volk; een rijke burger moest het hoofd buigen voor een hertog, maar zijn dienaars moesten buigen voor hem; net zoals een squaw van eender welke Indiaanse stam zo goed als niets betekende vergeleken met een strijder van haar stam, maar bijna alles t.o.v. een gevangene van een andere stam, voor wie ze soms de modaliteiten van foltering kon bepalen. Of nog, een doodgewone katholiek betekende niets vergeleken met een katholieke bisschop, maar beschouwde zich als een uitverkorene tegenover een protestantse ketter. Net als de zoon van een vrij man toch afhankelijk was van zijn vader, terwijl hij beschikte over een persoonlijke, zwarte slaaf die aan het hoofd stond van een kroostrijk gezin ….

De hele traditionele symbolisatie berust dus op een orde-structuur die de rollen verdeelde alsmede de onderlinge relaties. Het einde van de traditie, zoals bewerkstelligd door het kapitalisme als algemeen systeem van productie, ruil en verdeling van sociale rollen – herleid tot een dominante variante van de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, tussen winst en loon -, biedt in feite geen enkele actieve symbolisatie, maar enkel het brutale en onafhankelijke spel van de economie, de neutrale a-symbolische heerschappij van wat Marx op sublieme manier “de ijskoude wateren van de egoïstische berekening” noemt.  Het einde van de hiërarchische wereld van de traditie heeft geen niet-hiërarchische symbolisatie met zich mee gebracht, maar enkel de gewelddadige reële dwang onder het juk van de economie, vergezeld van een paar rekenregels onderworpen aan de honger van een minderheid. Het gevolg is een historische crisis van de symbolisatie, in dewelke de hedendaagse jeugd haar desoriëntatie moet verdragen.

Ten aanzien van deze crisis, die, onder het mom van een neutrale vrijheid enkel het geld biedt als universele referent, zijn er, op het eerste zicht, slechts twee actieve maar volgens mij absoluut conservatieve wegen, die bovendien ongeschikt zijn voor de subjectieve vragen aan dewelke vandaag de mensheid, en in het bijzonder de jeugd, ten prooi zijn.

De eerste is de ongebreidelde apologie van het kapitalisme en van zijn lege “vrijheden”, die belast zijn door de ijdele neutraliteit van de alleenheerschappij van de waar. Laten we deze weg noemen: het appel tot wat ik bestempel als « het verlangen van het Westen », anders gezegd de bevestiging dat er niets anders bestaat en kan bestaan dan het liberale en “democratische” model van onze maatschappij, hier, in België, in Frankrijk, en in alle andere landen van hetzelfde type.

De tweede weg is het reactieve verlangen naar de traditionele, d.w.z. hiërarchische symbolisatie. Dit verlangen is dikwijls gedekt door één of ander religieus verhaal, of het nu gaat om de protestantste sektes in de Verenigde Staten, het reactief islamisme in het Midden-Oosten of om de terugkeer tot een ritualistisch begrepen joodse identiteit in Europa. Maar het kan zich ook nestelen in nationale hiërarchieën (Leve de “autochtone” Fransen! Leve de echte Nederlanders!), het puur en simpele racisme  (de islam fobie van koloniale oorsprong of het steeds weer terugkerend antisemitisme) of, in fine, het individueel atomisme (Leve mijzelf, weg met de anderen !).

Volgens mij zijn deze twee wegen zeer gevaarlijke impasses, en hun contradictie, die alleen maar bloediger wordt, stort de mensheid in een cyclus van oorlogen zonder einde. Dat is het hele probleem van de valse contradicties, die het spel van de ware contradictie onmogelijk maken.

De echte contradictie, die ons als oriëntatiepunt kan dienen, zowel voor het denken als voor de actie, is degene die twee visies tegenover mekaar plaatst betreffende het onvermijdelijke einde van de hiërarchiserende symbolische traditie: de a-symbolische visie van het Westers kapitalisme enerzijds, die monsterachtige ongelijkheden en pathogene dwalingen in de hand werkt, en de visie over het algemeen « communisme » genoemd, anderzijds, die, sinds Marx en zijn tijdgenoten, voorstelt om een egalitaire symbolisatie te ontwikkelen.

Het is in het kader van deze eis tot egalitaire symbolisatie dat ik terugkom op de jongeren, die als eersten getroffen worden, samen met de ouderen, door de heerschappij van de valse contradictie.

De jongeren ervaren het dubbel effect van het werkelijke einde van de traditie en van de imaginaire dimensie van de valse contradictie. Ze staan trouwens, daar ben ik van overtuigd, op de drempel van een nieuwe wereld, degene van de egalitaire symbolisatie.

Niets is belangrijker, voor iedereen, maar in het bijzonder voor jongeren, om oplettend te zijn voor de tekenen dat er iets anders zou kunnen gebeuren dan wat er nu gebeurt. Dat we de twee nihilistische wegen zouden kunnen verlaten om de egalitaire weg te bewandelen. U kunt deze tekens vinden indien u oplettend zoekt en indien u op een bedachte manier discussieert over wat er gebeurt in de wereld. Maar u kunt ze ook vinden door uw essentiële ervaringen, in wat hen origineel en onherleidbaar maakt. Anders gezegd, er is datgene waartoe u in staat bent en bij de opbouw van het leven, dat te gebruiken waartoe u in staat bent, maar er is ook datgene waarvan u nog niet weet dat u ertoe in staat bent en dat is juist het belangrijkste.

Men kan zeggen dat er datgene is wat men kan opbouwen; maar er is ook datgene wat u toelaat te vertrekken en verder te gaan; er is datgene wat u aan een plaats bindt maar er is ook het vermogen dat u in staat stelt te reizen en in ballingschap te gaan. De twee bestaan tegelijk.  De vestiging kan worden herroepen op basis van een dwaling die niet meer nihilistisch is, een georiënteerde dwaling, als een kompas om het ware leven te vinden, een oorspronkelijk symbool.

Opbouwen en vertrekken. Er is geen contradictie tussen beide. In staat zijn te verzaken aan wat men opbouwt omdat iets anders u een teken geeft in de richting van het ware leven. Het ware leven, vandaag, gesitueerd voorbij de neutraliteit van de waren en voorbij de oubollige hiërarchieën.

Over dit alles geef ik het laatste woord aan de poëzie, want betreffende de vraag van het vertrek, de ontworteling, het zich onttrekken aan zichzelf zijn de dichters in staat een nieuwe taal te vinden. De poëzie, in die zin, legt de taal van de eeuwige jeugd vast.

Daarom, laat ons een andere vraag stellen: is jong zijn vandaag een voordeel of een last? De wereld zal moeten veranderen om de nieuw jeugd te ontvangen in een wereld die op een onverbiddelijke manier bevrijd is van de tradities. En we zullen ons dan tot Rimbaud wenden bij wie we de meest efficiënte muziek vinden. U weet, heden ten dage zeggen we over alles en niets: “dat is geniaal”. Welnu, het ware leven waarover wij spreken, dat is geniaal. Rimbaud heeft het gezien en beschreven in het laatste gedicht van zijn ultieme bundel, de Illuminations. En dus in wat men kan beschouwen als zijn allerlaatste gedicht, zijn dichterlijk testament. Precies, dit prozagedicht heet Génie. Het is hiermee dat ik wil besluiten:

“Hij is de affectie en het heden, omdat hij open huis gehouden heeft voor de schuimige winter en het gegons van de zomer, hij die drank en eten gezuiverd heeft, hij die de bekoring is van ongrijpbare oorden en het bovenmenselijke genot van rustplaatsen. Hij is de affectie en de toekomst, de kracht en de liefde die wij, staand in de woede en de zorgen, wij zien passeren in de storm aan de hemel en de vlaggen van extase.

Hij is de liefde, op perfecte en ongekende schaal, wonderbaarlijke en onvoorziene rede, en de eeuwigheid: geliefd instrument van fatale kwaliteiten. Wij hebben allen de verschrikking te verduren gehad van zijn tegemoetkoming en de onze: o genot van onze gezondheid, roes van onze krachten, egoïstische affectie en passie voor hem, hij die ons liefheeft zijn oneindige leven lang…

En wij herinneren ons hem en hij gaat op reis… En als de Aanbidding heengaat, dan klinkt zijn belofte, klinkt: “Weg met al dat bijgeloof, die oude lichamen, die huishoudens en die perioden. Het is dit tijdperk dat ten onder gegaan is!”

Hij zal niet weggaan, hij zal niet nog eens neerdalen uit een hemel, hij zal geen verlossing brengen van de woedeaanvallen van vrouwen en de frivoliteiten van mannen en van al die zonde: want het is gedaan, omdat hij is en men hem liefheeft.

O zijn ademhaling, zijn kopposities, zijn wedstrijden: de duizelingwekkende snelheid van perfecte vorm en actie.

O vruchtbaarheid van de geest en immensiteit van het universum!

Zijn lichaam! De gedroomde bevrijding, de kapot geslagen gratie doorkruist met nieuw geweld!

Zijn blik, zijn blik! Alle oud eerbetoon en de straffen opgeheven in navolging van hem.

Zijn dag! de afschaffing van alle luidruchtig en rusteloos lijden in nog intensere muziek.

Zijn stap! volksverhuizingen groter dan de invasies van vroeger.

O hij en wij! hoogmoed weldadiger dan verspilde naastenliefde.

O wereld! en het zuivere lied van de nieuwe tegenslagen.

Hij heeft ons allemaal gekend en van ons allemaal gehouden. Laat ons, deze winternacht, van kaap tot kaap, van de tumultueuze pool tot het kasteel, van de menigte tot het strand, van oog tot oog, aan het eind van onze krachten en gevoelens, hem aanroepen en zien, en hem terugsturen, en onder de getijden en op de hoogten van de sneeuwwoestijnen, volgen zijn blikken, zijn ademhaling, zijn lichaam, zijn dag. ” 

(vertaling François de Pologne)

We hopen van harte dat de jongeren zo leven, van kaap tot kaap, van de menigte tot het strand, van oog tot oog, dat ze hun blik, hun adem, hun lichaam, hun dag vinden. En dat de mensheid erin slaagt om, dankzij hen, een nieuwe en definitief egalitaire symbolisatie te vinden.

(vertaling Daniel Acke & Tino Haenen)

Het ware leven

Alain Badiou

Bekijk het boek