Precies een week geleden stelden we het spraakmakende boek 1942. Het jaar van de stilte van Herman Van Goethem voor in Antwerpen. Jeroen Olyslaegers noemde het “verpletterend”. Bart De Wever sprak in zijn inleiding over “een meesterwerk”. Je kan zijn volledige speech hieronder nalezen.

Geachte Dames en Heren,

Ik ben historicus van opleiding en zou dus enige geloofwaardigheid kunnen claimen bij het uitspreken van een oordeel over een historische monografie. Maar dat zou ten aanzien van Herman Van Goethem alleen getuigen van een bijzonder misplaatste zelfoverschatting. Dat onze rector een vakbekwaam en zeer verdienstelijk historicus is, behoeft bovendien geen betoog.

Inzake het beoordelen van kunst en literatuur kan ik geen enkele expertise of bekwaamheid claimen. Toch wil ik me eerst en vooral op dat gladde ijs wagen en u op het hart drukken dat Herman Van Goethem volgens mij een meesterwerk heeft afgeleverd.

Ik ben het boek maandagavond na thuiskomst beginnen lezen. Ongewild was ik geprikkeld door een zin uit een mail die ik die ochtend van Herman ontvangen had: ‘Ik neem aan dat u geen tijd hebt gehad om het boek aandachtig en rustig te lezen – alle begrip daarvoor – waardoor medewerkers u uw tekst voor de presentatie woensdagavond aanreiken.’ Ik voelde me daardoor betrapt, want tijdsgebrek is de gesel van mijn leven en ik geef grif toe dat ik tot die mail van plan was om hooguit 2 uurtjes door het boek te browsen en me verder inderdaad te verlaten op de insteek van een goede medewerker. Dat is anders uitgedraaid. Ik weet niet meer precies wanneer ik het boek heb neergelegd in de nacht van maandag op dinsdag, maar het was enkel omwille van de dwingende fysieke uitputting. Enkele uren later was het ochtend en vloekte ik op de zware dagagenda van dinsdag. Want niks leek me dringender dan het boek uit te lezen. Ik heb verder gelezen in de auto, tijdens de lunch, in de kleinste kamer, en uiteindelijk na een late thuiskomst opnieuw tot in de nacht en tot de finish. Dat soort boek is het dus voor mij. Net zoals de roman Wil door Jeroen Olyslaegers dat eerder was geweest. Ook het lezen daarvan was bijna dwingend, bladzijde per bladzijde tot het einde.

Ik kan niet zeggen dat het boek noopt tot veel vrolijkheid. Misschien is het beroepsmisvorming van een historicus om sceptisch te staan tegenover een al te positief mensbeeld. En een politieke carrière is ook niet van dien aard om daar meteen veel aan te veranderen. Maar dan nog is de lectuur ronduit mentaal verontrustend. Ik had dat eerlijk gezegd niet verwacht, want de feiten zijn eigenlijk genoegzaam bekend intussen. In 2015 condenseerde Herman Van Goethem al de stand van zijn onderzoek inzake de rol van het Antwerpse stadsbestuur in het jubileumboek ter gelegenheid van 450 jaar stadhuis. Ik heb die bewuste passage letterlijk voorgedragen op de jaarlijkse Holocaustherdenking van 6 mei 2015, waar ik als burgemeester van deze stad gesteld heb dat de stad haar geschiedenis recht in de ogen moet kijken. En waar ik ook als voorman van een grote Vlaams-nationale partij heb erkend dat de actieve collaboratie een zeer zware fout was die het Vlaams-nationalisme vandaag ondubbelzinnig moet veroordelen.

Wat kon dit boek daar nu eigenlijk nog aan toevoegen? Ontzettend veel. De manier waarop Herman Van Goethem het jaar 1942 in Antwerpen tot leven wekt, is weergaloos. Een dagboek van een stad waarin talloze actoren vertellen wat zij beleven. Geschreven in de tegenwoordige tijd alsof de lezer naast hen staat en daardoor onvermijdelijk meegezogen wordt in de chaos, de onzekerheid en de onwetendheid die hun bestaan kenmerken. Meegezogen ook in het leed van de slachtoffers die je bijna op elke bladzijde letterlijk aanstaren. Abstracte historische gegevens worden mensen van vlees en bloed. En dat hakt er bijzonder diep in. Ik citeer p. 307: ‘Neem de dood van jonge mensen, van kleine kinderen. Als zelfs dat de mens niet raakt, dan loopt het grondig fout in de samenleving. In de kleine Simon Lic, tien weken oud, “gearresteerd” op 16 augustus 1942, laat het genocidale geweld zich in zijn diepste dimensie zien.’

Ik herhaal: volgens mij heeft Herman Van Goethem een meesterwerk geschreven, de impact van dit boek behoort aanzienlijk te zijn. Het boek verdient dat én het verdient vertaling, want dit verhaal gaat over veel meer dan Antwerpen.

Maar het speelt zich af in Antwerpen. Als burgemeester wil ik Herman Van Goethem dan ook namens de stad danken omdat hij Antwerpen met dit werk heeft verrijkt. Een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis hebt u met grote vakkundigheid en persoonlijke passie geschreven. Wat er zich in 1942 heeft afgespeeld kan nooit worden vergeten, verdraaid of met ongepaste vergoelijkende nuances worden geminimaliseerd.

Men kan zeer terecht wijzen op een wijdverspreid en oud antisemitisme in Europa als verklarende omstandigheid. Het volstaat om de Gazet van Antwerpen van het interbellum door te nemen. Men kan ook wijzen op de bezetting en de oorlogsomstandigheden. Men kan wijzen op de eigentijdse  onwetendheid van vele actoren. Maar men kan er niet omheen dat velen in stad en land zich met groot opportunisme hebben opgesteld tegenover de bezetter zolang het leek alsof die de oorlog zou gaan winnen. En dat velen weinig of geen betrokkenheid voelden ten aanzien van het lot van de Joodse bevolking, in het bijzonder ten aanzien van de vele buitenlandse Joden die relatief recent bij ons hun toevlucht hadden gezocht.

Wat burgemeester Delwaide betreft, is het eindoordeel onverbiddelijk. Ik citeer p. 232: ‘Delwaide heeft sinds 1940 de Duitse Jodenpolitiek ondubbelzinnig ondersteund, om vanaf juni 1942 krachtdadig zijn bijdrage te leveren aan de voorbereidingen van de ophanden zijnde deportaties.’

Ik weet dat dit oordeel zeer hard zal aankomen bij mensen die opgevoed zijn met een heel andere versie van de geschiedenis. En daarbij gaat het mij niet specifiek en zeker niet alleen over de figuur van de oorlogsburgemeester. Maar ik hoop dat ook zij zullen beseffen dat deze loutering noodzakelijk is. We kunnen niet jaarlijks rond 8 mei herhalen dat het nooit meer mag gebeuren als we niet onder ogen durven te nemen wat ‘het’ dan precies geweest is. De erkenning van de bittere waarheid dat het kwade niet louter op ons is nedergedaald, maar vele mensen in zijn maalstroom heeft meegesleurd, is noodzakelijk om verleden en heden te verbinden in een waarachtige opdracht tot een betere toekomst.

1942 
Naar het boek