De centrale stelling waaromheen Na de kater is gebouwd, is dat er in Vlaanderen heel traag een breuk is ontstaan in de jarenlange grote consensus dat Europa een project is dat ons onvoorwaardelijk deed geloven dat we er beter van worden. Er is twijfel geslopen in ons Europees toekomstbeeld, dat ooit heel hoog op een piëdestal boven het dagelijkse gewoel van de Belgische politiek stond.

We hebben almaar meer moeite om ons te herkennen in Europa. De Europese Commissie peilt al jaren hoe de burgers tegen de EU aankijken. Begin 2007, vlak voordat de financiële crisis losbarstte, stond 62 procent van de Vlamingen positief tegenover de Europese Unie. Dat aandeel daalde in het recessiejaar 2009 tot de helft. In de laatste peiling waren het er 39 procent. Een op de drie EU-optimisten in Vlaanderen is verdwenen. En ze zijn niet langer in de meerderheid.

Dat is nieuw. Wat onvoorwaardelijke liefde voor de EU betreft is Vlaanderen namelijk lang een eiland geweest. De bevolking van Nederland en Frankrijk — twee landen die net als België tot de zes stichtende leden van de EU behoren — schoot in 2005 in een referendum het voorstel voor een Europese grondwet af. De Ieren deden hetzelfde in 2008. De Britse premier Margaret Thatcher eiste in de jaren tachtig al haar ‘money back’ en kreeg een korting op de Britse bijdrage aan het Europese budget. Maar in België klonk die kritiek altijd milder.

 

Lees het volledige hoofdstuk hier