Deze week werd de nieuwe roman van Walter van den Broeck, De babyboomboogie, in Turnhout gepresenteerd. De interviewer Johny Geerinckx, de gastheer van het boekenprogramma Overlezen, stelde de auteur de onvermijdelijke vraag hoeveel erecties er in zijn roman staan beschreven. Onvermijdelijk omdat de hoofdpersonages in De babyboomboogie wanhopig opgroeiende mannen zijn met een ambitieuze hoeveelheid testosteron.

Van den Broeck slaagt erin om hun drang en levenslust, die een verrassend einde kent, tot in de kleinste details geloofwaardig te suggereren. Dat kan alleen in literatuur (en alleen de beste schrijvers spelen het klaar). Luisterend naar Walter probeerde ik me voor te stellen hoe dezelfde vraag had geklonken tijdens die andere publiekspresentatie die ik, zij het op tv, enkele dagen eerder had bekeken: het grote debat op TF1 met de Franse presidentskandidaten. ‘Hoeveel erecties hebt u in uw economisch programma opgenomen?’ Voorname staatslui onthouden zich uiteraard in zulke zaken.

Bovendien viel het woord ‘cultuur’ welgeteld één keer, in een verfrommelde bijzin tijdens het laatste kwartier van het drieënhalf uur durende verbale gevecht. Tot daar de befaamde exception culturelle française. Zo hooggestemd zijn ze daar ook allang niet meer. Terwijl de Fransen, net als wij, een extra dosis verbeelding wel zouden kunnen gebruiken.

De spanningen in de samenleving lopen zo hoog op dat we helaas een Europees kampioenschap verkrampt reageren kunnen organiseren. In die loodzware omstandigheden hebben we humor en verbeelding meer dan ooit nodig. Het lezen van romans zou eigenlijk een onderdeel moeten vormen van de veiligheidscultuur die we ons op korte tijd eigen hebben moeten maken. De babyboomboogie vormt daar het beste bewijs van.